
Lieven Herreman
Alsof er iets te kiezen valt
€40,00
‘I like the undefinite, the boundless, and constant uncertainty.’
Gerard Richter
Naakter dan elk Stilleven,
voor Lieven Herreman
Alsof er iets te kiezen valt, niets meer te verbergen is.
Vergeelde vlekken op de muren, een stukje afgebladerd
behangselpapier, planten die naar water smachten. De ruimte
ruikt naar handen die de geheimen van het verleden prijsgeven.
De sterren zijn nooit onverschillig. Ze suggereren soms wilde
aberraties als na de erotiek, en realistische details in een
onstuitbare overvloed als betrof het rimpelingen in het water,
na de herinnering en de pijn van het verlangen. Als een val
diep op het asfalt. Uit de hemel ook. Het lichaam plots met
hechtingen. Het litteken als een geslacht op haar buik. Maar ook
onder de ranken van de passiebloemen zocht ze naar naaktheid,
wou ze het denken vergeten en op de vergetelheid heroveren.
Begerig als een wolvin. Als een prooi ook. Of zacht als een meisje
in fluweel zoals de binnenkant van haar geslacht. De tijd heelt niet
steeds de angsten. Soms blijven ze nasluimeren in het hart. ‘Faut-il
cultiver le jardin?’ zoals Voltaire beweerde. Wat als het nu eens
omgekeerd zou zijn en de tuinen met bijen, vlinders, mossen,
wilde wingerd, frambozen, rozen, kikkers en libellen, vijgen
rijpend in een overvolle en wulpse zon haar en dus ook ons
cultiveerde. Zoals de blik van de camera de wonden niet enkel
toont maar ook heelt. In eenzaamheid. De brokstukken van de
herinnering en van de genietingen die vergeten waren opnieuw
tentoonspreidt. Alsof er nooit iets te kiezen valt. De naaktheid als
vlekken, spatten in het landschap. Van het lichaam ook. Ze verbergen
niet enkel, onthullen ook. Als heldere demonen in het geraaskal
van een wilde of bekende stad. Woedende dromen. Prikkend
als cactussen in een handpalm. Het dubbele glas van de geliefden
is gebroken. De scherven stutten het heden en kronen de naaktheid
met een zacht stromend bloed als tranen die aan de wimpers blijven
kleven om onverwachts als dauw in de lakens van de nacht te
verdwijnen. O meeslepend en niet verdwijnend heden. O slaaf
van naaktheid in het beeld. De vlucht van de weemoed, even
onaantastbaar als de diepte en mystiek van het lichaam. Genot
als veruitwendiging van elke bestaansvorm. Een soort vage ontzetting
van de wonde. Nietsvermoedend te midden van de stilstand van
de blik, de camera. Modder en aarde als Purgatorio. De kleren
uitgetrokken. In een elleboog van het moment. Vluchtig en
nonchalant. Haastig ook. Als sporen van wat weids zou kunnen
zijn, in zich dragend. Als einders die de kamer afbakenen. Zonder
franjes, zonder bloemende verbloemingen. Hard als marmer. Met
de gesel van het toeval dat nooit toevallig is. De blik als valstrik.
Alles opgeslagen in de huid die spreekt zonder dat er woorden
vereist zijn. Verhalen worden uitgekleed. Haar hand een waaier
voor het geslacht uit vrees voor de schaamte van het beeld. Als
ligt daar de goddelijke plek van het paradijs. Het zelfportret van
haar andere zijn. De overvloed, de weelde die vergeten is. De hand
als schelp dus. Het beeld een oester die van mond tot mond doorgegeven
wordt. Gesavoureerd. Als voorbode voor wat komen moet. De bekoring
van het onvolmaakte. In een compositie van alomtegenwoordigheid.
Het besef ‘De hemel is hier niet anders.’ De rituele coïtus van de
dagelijksheid als introïtus van een noodzakelijkheid. Zonder van de
wereld te vallen. De vleugels van de onschuld afgesneden. Als ruiten
stukgeslagen. Het beeld een lont naar meer. In naakte huizen waar
de rede niet steeds meer te vinden is. Dromen als eelt harder geworden
zijn. Spontaniteit omheind wordt. De lente voor de ogen duizelt en twijfelt
tussen twijgjes van een pasontloken liefde. De blik wordt afgewend. Wie
vertelde haar dat ze de maan verloren is? Wie veegde de onbezonnen
toekomst in haar ogen uit? Wie vergat haar de zon van het heelal als een
nooit verwelkende bloem tot geschenk in de nacht aan te reiken?
Inge Braeckman